EU-Hof: Nederland mag enkele derde landen-nationals terugsturen door Oekraïne-oorlog
De Nederlandse overheid kan ervoor kiezen om de tijdelijke bescherming voor bepaalde mensen, die geen Oekraïense burgers zijn maar wel in Oekraïne woonden toen de oorlog met Rusland in 2022 verergerde, te beëindigen. Het vonnis dat donderdag werd uitgesproken door het Hof van Justitie van de Europese Unie, stelde vast dat Nederland het recht heeft om de opvang van deze ontheemden stop te zetten, mits zij geen permanente verblijfsvergunning in Oekraïne hebben gekregen.
Het probleem ontstond toen het vorige kabinet, in een zorgtaakstatus, in maart besloot om de bescherming voor derde-landen nationals met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne stop te zetten, zoals enkele buitenlandse studenten en werknemers. De gevolgen voor hen zijn ernstig, aangezien ze hun werkvergunningen, toegang tot het onderwijssysteem en sociale huurwoningen dreigen te verliezen, en ze op zoek moeten naar andere manieren om legaal verblijf te verkrijgen.
In de uitspraak van donderdag verklaarde het EU Hof van Justitie dat de Europese Unie wetgeving voorschrijft dat lidstaten bescherming moeten bieden aan bepaalde specifieke groepen mensen die door de oorlog in Oekraïne zijn ontheemd. Dit omvat Oekraïense staatsburgers en hun familieleden, staatlozen en derde-landen nationals die om andere redenen asiel kunnen aanvragen, evenals hun familieleden, en die staatlozen en derde-landen nationals die een permanente verblijfsvergunning in Oekraïne hebben. Voor laatstgenoemden moet bovendien gelden dat zij niet veilig naar hun thuisland kunnen terugkeren.
Desondanks kunnen de regeringen van EU-lidstaten zelf beslissen om tijdelijke asiel te verlenen aan andere groepen mensen die door de oorlog zijn ontheemd. Het hof oordeelde dat deze bescherming eerder kan worden ingetrokken dan wat verplicht is onder de EU-wetgeving. Op dat moment kunnen individuen onderhevig zijn aan een terugkeerbesluit.
“De Nederlandse autoriteiten hebben aanvankelijk tijdelijke bescherming verleend aan alle houders van een Oekraïense, inclusief tijdelijke, verblijfsvergunning. Echter, deze autoriteiten besloten vervolgens om de bescherming te beperken tot een meer restrictieve categorie van personen, namelijk houders van een permanente Oekraïense verblijfsvergunning,” schreef het hof in een verklaring. “Verschillende personen die geen permanente verblijfsvergunning hebben maar al optioneel tijdelijke bescherming in Nederland hadden gekregen, hebben rechtszaken aangespannen bij de Nederlandse rechtbanken.”
Het hof benadrukte dat deze beslissing zowel optioneel als tijdelijk was. “Lidstaten kunnen beslissen over de duur van de optionele tijdelijke bescherming die zij verlenen, mits deze niet begint voordat en niet eindigt nadat de tijdelijke bescherming die door de Unie-instellingen is verleend.”
De beslissing van het kabinet in maart leidde tot een reeks rechtszaken om de beleidswijziging in Nederland te stoppen, wat resulteerde in tegenstrijdige uitspraken over voorlopige maatregelen door rechtbanken. Dit bracht de hoogste bestuursrechter van het land, de Raad van State, en het Amsterdamse filiaal van de rechtbank Den Haag ertoe om het Europese hof te vragen de zaak te herzien.
Het vonnis komt overeen met het advies dat het hof eerder heeft ontvangen van de Advocaat-Generaal.